
Mijn misdaad is de misdaad van een man die er niet in lukte de strijd tegen verandering aan te gaan. Een man die zich verkeek op ongekende factoren.
Haar misdaad is de misdaad van een vrouw, gemaakt om te bestaan in het albasten zonlicht waarin zij zich heden bevindt, waarin de rijpe diepte van haar huid aandoet als geweven uit de bladen van een witte roos en waarin de gedachte van haar aanraking, voor mij als voor elke sterveling, eindeloze perspectieven opent.
Heden houd ik me echter in. Ik weet hoe het altiijd begint, ik weet hoe het altijd eindigt en herinner me de problemen die ik in het verwerven van die kennis heb veroorzaakt. Ik vertel haar wat ik wil vertellen en verzwijg de rest. De vertroosting geboden door woorden is geen vertroosting, per slot: echte tormenten kan men soms uitzweten, maar nooit uitpraten.
Toch geef ik haar graag het woord, nu. Haar stem is herfstig, onbepaald vermoeid. In de pauzes tussen zinnen kan ik mijn zorgen verdrinken. Ikzelf ga niet onder, ben drijvende en bevrijd. De ankerpunten zijn verdwenen, de gewichten ontketend. Alles is kristalhelder, eenvoudig en vrij.