Precies één jaar na de start van het alom geprezen “Van vlees en bloed” ging zondagavond op één de nieuwe Vlaamse fictiereeks “Oud-België” van start. De erfenis van haar ‘voorganger’, de niet-aflatende promotiecampagne van de VRT en het ongebreidelde enthousiasme van geestelijke vaders Stany Crets & Peter Van Den Begin in allerhande interviews vooraf zorgden ervoor dat de verwachting strakker gespannen stonden dan het voorhoofd van Patty Brard.
Ook regisseur Indra Sierra liep over van trots: “Oud-België” zou het beste zijn wat hij ooit gemaakt had. Gezien de enige credits op zijn palmares de films “K3 & het Ijsprinsesje” en “K3 & het magische medaillon” zijn had ik nooit gedacht die uitspraak te moeten tegen spreken.
Dat de geplande film-versie van deze reeks vorige zomer reeds geschrapt werd had nochtans een teken aan de wand moeten zijn. Volgens Crets was die beslissing een gevolg van het feit dat ze simpelweg niet voldoende materiaal hadden kunnen knippen zonder de essentie van het verhaal te verliezen. Wanneer er dan in je eerste van slechts zes afleveringen, en ik citeer opnieuw Crets, “niet echt iets gebeurt” komt die stelling toch lichtjes ongeloofwaardig over.
Met “Oud-België” wou het duo Crets-Van den Begin naar eigen zeggen bewijzen “zich niet als vrouw te moeten verkleden om de mensen te vermaken”. Die uitspraak bewijst dat de heren maar al te goed beseffen dat ze het succes van “Debby & Nancy” in de eerste plaats te danken hadden aan de laagste gemene deler van het tv-publiek. In die zin was het dapper om dat programma op te volgen met een serie als “Fans”, die voor haar doorgaans geslaagde humor uitsluitend rekende op ronduit onuitstaanbare personages en dus gedoemd was om bekritiseerd te worden door aanzienlijke delen van dezelfde Witse-horde die eerder ook al “Willy’s en Marjetten” van de zondagavond had verdreven.
Die massa wordt echter in de armen gesloten met “Oud-België”: zowat ieder personage is een onnozele karikatuur en de kijker wordt een geheugen van ongeveer zestien seconden toegeschreven. Marcel krijgt de vraag of “het koud of warm water was”. Flashback naar een scène van twee minuten eerder, waarin Marcel een emmer water over het hoofd kreeg. De liefde tussen Marcel en Lucienne wordt omschreven als “voorbij”. Flashback naar de openingsscène waarin diezelfde Lucienne Marcel hysterisch verrot schold. Enzoverder. Het was niet de enige manier waarop Sierra inventief camerawerk verwarde met filmisch gemasturbeer, maar veruit de meest vervelende.
De vele muzikale intermezzo’s maakten mij persoonlijk dan weer vooral dankbaar dat de wereld van de revuetheaters inderdaad tot het verleden behoort, maar over smaken valt uiteraard niet te twisten. Waar wel over te twisten valt is de vraag of het echt nodig was om Louis Armstrong’s “What a Wonderful World” nog maar eens op oh-zo-ironische wijze te spelen over een montage die toont dat het eigenlijk helemaal niet zo’n wondere wereld is. Graag zou ik dit nummer nog eens écht vrolijke beelden zien begeleiden. Liever nog zou ik tv-makers wat meer originaliteit in hun soundtracksamenstelling zien kweken.
Om toch op een positieve noot te eindigen: niets van dit alles is nog maar half zo vervelend als het personage “Eddy”, een kleine jongen die Peter Van Den Begin anno 1978 moet voorstellen. In zijn eerste regel dialoog verwees hij reeds naar zijn nonkel Marcel als ‘een bangelijke gast’, waarmee hij vermoedelijk niet bedoelde dat Marcel snel schrik heeft – nochtans de enige betekenis die dat woord destijds had – en het wordt er nadien niet beter op. Op een 10-jarige rekenen voor de komische noot in je programma is sowieso geen verstandige beslissing, maar dit exemplaar heeft dan ook nog eens de pech opgezadeld te zitten met een rol waar zelfs een onheilige kruising tussen Jan Decleir & Urbanus niets van zou kunnen maken. Gevolg is dat de kijker bij iedere regel tekst uit Eddy’s mond van plaatsvervangende schaamte door zijn fauteuil zakt, met tv-dekentje en al.
De eerste aflevering van “Oud België” haalde onvermijdelijk een hoog kijkcijfer: 1,5 miljoen. Het zou poëtisch en toepasselijk zijn moest dat getal vanaf aflevering twee zachtjes aan afsterven, om uiteindelijk tegen het einde van de laatste aflevering, mooi parallel met de aanwezigheidscijfers van het theater in de reeks, af te klokken op nul. Tenslotte poogt “Oud Belgie” de kijker toch te overtuigen van de vergane charme van de revue en de afwezigheid van diezelfde charme in de ‘nieuwe revue’ van de televisie. Of dat eerste gaat lukken is twijfelachtig, wat betreft het tweede ben ik alvast volledig overtuigd.
Pingback: Pluimvee « ozon