De intrede van Morrissey in Brussel

“Welcome to Songs for Swinging Lovers.” Met die woorden begroette Morrissey zaterdagavond Vorst Nationaal. Zijn tong zat slechts gedeeltelijk in zijn wang.
Voor de start van het optreden trakteerde de inmiddels 50-jarige Mancunian het publiek op een selectie videoclips, geprojecteerd op een voor het podium opgehangen doek. Nadat o.a. Sparks, Lou Reed, Shocking Blue & the New York Dolls gepasseerd waren ging dat doek omhoog en bewandelde His Mopiness zelve het podium, als wilde hij zeggen: het culmineerde uiteindelijk allemaal in mij.
Morrissey recruteert tegenwoordig een horde jonge veulens als zijn muzikanten en die deden tijdens openingsnummer “This Charming Man” in het publiek een aantal wenkbrauwen verontrust de hoogte ingaan. Het speelse gitaarspel van Johnny Marr werd in hun uitvoering vervangen door een opeenstapeling van power chords die verdwaald leken uit de laatste van Placebo. Deze aanpak werd vervolgens, tot beter effect, volgehouden in het recentere “Black Clouds”. Een spannend moment, trouwens, de uitvoering van deze song: het was namelijk tijdens dit nummer dat Morrissey de afgelopen weken eerst een appelflauwte kreeg en naar het ziekenhuis moest gebracht worden in Swindon, om enkele dagen later in Liverpool het optreden in het midden van dit nummer definitief te beëindigen nadat hij een uit het publiek gelanceerde plastieken bekertje op zijn hoofd had gekregen.
Dit heikele moment achter de rug zijnde, leek ook de band eindelijk te ontspannen. De mariachi-gitaar werd boven gehaald voor een, jawel, swingend “When Last I Spoke to Carol” en die spaghetti western/rockabilly-sfeer werd voor de rest van de avond volgehouden, meest succesvol in de te vaak vergeten Smiths-pareltjes “Is It Really So Strange?” en “Death at One’s Elbow”, alsook in de minder vaak vergeten Smiths-pareltjes “Cemetry Gates” en (een uitbundig meegezongen) “Ask”. Het tempo werd alleen naar beneden gehaald wanneer de recent verschenen compilatie “Swords”, een verzameling b-sides uit de laatste vijf jaar en tevens de naamgever voor deze tour, moest gepromoot worden: “Teenage Dad on His Estate” en “How Soon Is Now”-sound-a-like “Ganglord” overtuigden live meer dan op plaat.
Wie zich had voorgenomen eens goed met de aansteker te gaan zwaaien was er aan voor de moeite: op een mooie, door accordeon begeleide uitvoering van “Why Don’t You Find Out for Yourself” na ging het tempo zelden omlaag. Géén “I Know It’s Over”, “There Is a Light That Never Goes out” of “Every Day is Like Sunday” dus. ”How Soon Is Now” (de eerste versie) was nog het dichtste dat de setlist bij een crowd pleaser kwam.
Nochtans was Morrissey in een, naar zijn normen, goede bui: ik meende af en toe een halve glimlach op zijn gelaat te bemerken en tijdens de -weliswaar schaarse- bindteksten ging het geen enkele keer over hoe deprimerend België hem wel niet voorkomt, zoals nochtans zijn gewoonte is. Meer zelfs, toen hij na “The World Is Full of Crashing Bores” het publiek vroeg of zij enkele “crashing bores” konden noemen en iemand “King Albert of Belgium” suggereerde, nam hij onze vorst zowaar in bescherming om vervolgens aan een vrij spectaculaire tirade over de “véél ergere” Windsors te beginnen. In “Irish Blood, English Heart” had hij eerder op de avond zijn gevoelens omtrent deze materie reeds kenbaar gemaakt, door de microfoonstandaard bijna in tweeën te breken tijdens de regels over “this royal line”.
Het duurde tot de bisronde, maar uiteindelijk kwam ook Morrissey’s zachtere kant boven. ”Belgium, you have made my heart swell.“, declareerde hij en het mag dan misschien het talent van een groot artiest zijn om dergelijke uitspraken oprecht te doen klinken, maar op dat moment geloofde ik hem zonder voorbehouden. ”There is no love in modern life.“, klonk het nog in slotsong “Something Is Squeezing My Skull”. Zo lang Morrissey in de buurt is valt dat allemaal wel mee.