Berlin, without return…

Ik was nog geen twee jaar oud toen de Berlijnse Muur ten val kwam. Dit weet ik, niet dankzij een overwinning op mijn infantiele amnesie, maar slechts door 1989 min 1988 in te tikken op mijn taschenrechner. Wiskunde!
Het ware belang van deze historische gebeurtenis kan ik mij bijgevolg onmogelijk inbeelden. Veelzeggend is dat zelfs vandaag, haar twintigste verjaardag en dus een zuiver symbolische aangelegenheid, nog aanvoelt als Een Belangrijke Datum. Het is dan ook geen toeval dat de afgelopen week zowat iedereen met een toetsenbord binnen handbereik zich geroepen voelde een licht te laten schijnen over de betekenis van 9 november 1989, dan wel 9 november 2009.
Voor grote, vernieuwende inzichten zit u bij mij ook vandaag weer aan het verkeerde adres: ik was pas deze zomer voor het eerst een aantal dagen in Berlijn, als toerist dan nog. Het is makkelijk in te beelden dat zelfs een rasechte Berliner geen sluitende uitspraken over de stad zou kunnen doen, Berlijn is namelijk groot, groter dan Londen, Parijs, Tokyo en New York, zij het dan niet in oppervlakte of inwonersaantal. Wat in Berlijn vandaag opvalt zijn de vele open ruimtes, half afgewerkte gebouwen en schijnbaar eindeloze leegtes. Dit is vooral het geval in het voormalige Oosten, waar de archaïsche communistische industrie na haar verdwijnen veelal werd vervangen door… niets. Duizenden appartementen en panden, met overheidssubsidies gebouwd in de jaren ‘90 in afwachting van een spectaculaire groei die er nooit kwam, vinden geen bewoners. Het is een situatie die kunstenaars en zgn. ‘alternatievelingen’ aantrekt, mensen die doorgaans niet verdrinken in het geld en in Londen en Parijs uit de markt geprijsd zijn. ”Arm maar sexy”, noemde burgemeester Klaus Wowereit zijn stad, en hij had gelijk.
Het feit dat Berlijn op een vreemde manier trots is op zijn eigen gebrek aan rijkdom en overvloed aan chaos maakt het des te merkwaardiger dat de échte armoede en anarchie vandaag enkel nog op wel afgebakende plaatsen, weg van de toeristische trekpleisters, duidelijk te zien is – anders dan in Brussel, waar de clochards letterlijk tegen de muren van het Koninklijk Paleis slapen. Terwijl de mensenmassa’s de overblijfselen van de oude muur gaan bekijken, interesseert zich schijnbaar niemand om deze nieuwe omwalde enclaves van ontbering. Gereconstrueerde Oost-Berlijnse appartementen, parades van Trabantjes en andere Ostalgie-toestanden tonen duidelijk aan dat het idee van een ledig leven een stuk interessanter is dan de échte ellende. Natuurlijk is Berlijn niet de enige Europese stad waar armoede hoogtij viert, ondanks een relatief uitgebreid sociaal vangnet. Men vindt het werkelijk overàl terug, in die mate dat de aantrekkelijkheid van een stad door de meeste mensen niet bepaald wordt door de welvaart die er heerst, maar door de efficiëntie waarmee ze het gebrek eraan weet te verbergen.
Twintig jaar nadat het Oosten moest toegeven dat een muur de vrijheidsdrang van een volk niet kon tegenhouden, is het merkwaardig vast te stellen hoe het Westen nu net dezelfde vergissingen begint te maken. De muur van de 21ste eeuw is niet langer opgebouwd uit steen en cement, maar uit immigratiequota en glazen plafonds. Of de uiteindelijke, onvermijdelijke val van deze nieuwe muur eveneens met feestgedruis en wederzijdse verbroedering zal verlopen is nog maar de vraag.