Antizwaartekracht

Het licht rondom hem vibreerde en zoemde. Het leefde. Hij voelde het sluipen. Het kietelde hem, deed hem lachen. Anderen keken hem telkens zeer raar aan wanneer hij dit vermeldde, maar dat was niet erg: hij werd al heel zijn leven vreemd bekeken.
Hij stond nu in het midden van een doorsnee, vierkante kamer begrensd oor opgevulde, witte muren. Er waren meubels genoeg, ingepakt met een beschermende laag polystyreen langs de randen, maar die gebruikte hij niet. Nee, hij stond recht. De meubels waren een te duidelijke val: ze wilden dat hij ze zou gebruiken, dat hij het zichzelf gemakkelijk zou maken en lui zou worden. God weet welke verdovende middelen, drugs en opnameapperatuur er daar op hem wachtten.
Nee, het was al erg genoeg dat hij blootvoets op de vloer moest staan. Een vloer, die nota bene mogelijk niet veiliger dan een mijnenveld was. Er zou op dit eigenste moment een naald diep in zijn zool kunnen zitten en hij zou het niet geweten hebben, zo uitgekookt, zo subtiel waren ze geworden. Maarja, hij moest nu eenmaal érgens zijn. De zwaartekracht vereiste dat hij op een bepaalde plek contact met de aarde zou maken. Dat was zijn Achilleshaal, de plaats waar ze hem konden grijpen, waar ze hem altijd grepen. Hij was kwetsbaar en hij wist het.
Maar wat kon hij anders doen, leviteren?
Hij aarzelde. Zijn kaak maakte een geluidloze beweging terwijl hij zijn mogelijkheden overwoog.
Nee. Hij kon niet leviteren.