ozon

Zuurstof in de blogosfeer.

Twee tot zes weken

with 2 comments

 

Zijn hand rust op de achterzijde van haar hoofd en gaat door haar bruine krullen.  Haar lippen zijn net van mekaar gescheiden, haar ogen volledig gesloten.

Anna kon bij het bekijken van dit tafereel een -weliswaar trieste- glimlach niet onderdrukken.  Een moment na deze opname zou ook Ben de ogen sluiten en haar naar zich toe trekken voor hun allereerste zoen, daar in het fotohokje van de zoo.  Maar het was dit beeld, genomen een fractie van een seconde voordien, dat Anna de volgende ochtend uitknipte in de vorm van een hartje en in haar hanger plaatste.  Ze droeg die hanger vanaf dan altijd open.

In de zoo stond een vogelkooi met daarin iedere vogelsoort die ze zich hadden kunnen inbeelden.  Aan de ingang had een uitbundig lachende medewerkster met een paardestaart hen een handvol zaadjes gegeven.  Anna’s liefde voor vogels was onvoorwaardelijk en ze sprak met hen aan een razend tempo, zoals een jong kind zou doen.  Ze sprintte van de ene vogel naar de andere, hen ondertussen enthousiast toefluitend.

Ben had vooral oog voor de pronkende blauwe gaaien en de gretig smullende valparkieten, maar Anna vestigde haar aandacht op een verwaarloosd aandoende pauwkalkoen, die in een hoek van de kooi achter wat kippengaas zat en zijdelings zijn meer glamoureuze collega’s observeerde.  Ze wandelde langzaam naar hem toe, legde enkele zaadjes in haar handpalm en bood ze hem voorzichtig aan.  In één vlotte beweging plaats de kalkoen zijn geopende bek over haar vingers om die vervolgens hard te sluiten

“Jaja, we weten dat je kan bijten.  Ik ga je geen kwaad doen, ik geef gewoon wat te eten.”, zei Anna.  Dit stelde de kalkoen schijnbaar gerust want hij aanvaardde nu haar aanbod.

“Pas maar op of hij bijt”, waarschuwde Ben, ondertussen gebarend naar de uitgang.

“Hij heeft me al gebeten.  Maar hij bedoelde er niets mee.”

“Ah oké, dan is het in orde.”, zuchtte Ben ironisch, opnieuw gebarend naar de uitgang, ondertussen zelf al die richting uitwandelend.  Anna haalde haar schouders op richting de kalkoen en volgde haar vriend.

Het pad naar buiten was een bloementuin waarin een muskietennet was gespannen, dat zo een soort van tunnel richting uitgang vormde.  Vliegen en motten, van alledaagse tot de meest exotische soorten, passeerden naast en boven de hoofden van de voorbijgangers.  Ze landden op de bloemen en beroerden hen vluchtig met hun gekrulde tongetjes.  Bijna voor ze goed en wel gestopt waren gingen ze reeds over op de volgende, en zo verder.

In de tunnel stond een groep van kinderen verzameld rond een vrouw van middelbare leeftijd, die hen het bestuivingsproces aan het uitleggen was.  Een kleine jongen zet een stap achteruit en trapte zo op Anna’s tenen, waardoor ze hem vastgreep bij zijn schouders.  Terwijl ze naar beneden keek zag ze op het zand een gevallen vlinder liggen.

Anna veinste interesse in haar schoen, en wist zo de vlinder te verstoppen in haar handpalm.  Toen ze opkeek stond ze plots oog in oog met de jongen die op haar voet was gaan staan.

“Wat heeft hij?”, vroeg de jongen.

Oh nee, dacht Anna.

“Hij is… klaar.”, stotterde ze.

“Hij is dood dus”, declareerde de jongen nu vol trots, daarmee de aandacht van enkele van zijn klasgenoten trekkend.

“Ja, hij is klaar met leven,” zei Anna weer.  De jongen hield nu een enkele vinger boven het  vlinderlijfje en keek haar vragend aan.

“Je mag hem aanraken, hoor,” zei ze.  “Vlinders hebben het poeder op hun vleugels nodig om te vliegen, dus je mag ze niet aanraken wanneer ze nog leven, maar nu is het oké.”  Ingetogen streelden enkele kinderen het insectje. 

“Maar wat is er dan met hem gebeurd?” vroeg een meisje nu, haar stem lichtjes brekend.

“Hij is gestorven,” antwoordde Anna.  “Een vlinderleven is niet hetzelfde als het onze.  Ze leven niet zo lang.”  Ze pauzeerde.  “Maar ze zijn zo klein, weet je, dat het waarschijnlijk wel heel erg lang lijkt voor hen.”

De kinderen knikten begrijpend, terwijl ze door hun leerkracht meegeroepen werden met de rest van de groep.  Anna trok ongeduldig aan Bens mouw, hem signaliserend dat ze wou vertrekken, het kleine lijkje nog rustend in haar hand.

“Ik moet naar het toilet,” zei ze eenmaal ze de vogelkooi hadden verlaten en ze haastte zich naar de kille, stenen sanitaire blok.

Ze sloten de metalen deur achter zich en opende haar hand.  De vlinder was bruin en oranje gekleurd, het poeder van zijn vleugels nu uitgesmeerd over haar bezwete handpalm.  Ze haalde een klein notitieboekje uit haar handtas en plaatse de vlinder voorzichtig tussen twee pagina’s in het midden.

Haar handen wassend herinnerde ze zich iets dat Ben haar eerder op de dag had verteld.  Als de tijd niet echt bestaat en alles dus tegelijk gebeurt – zoals hij had gelezen in een boek van Vonnegut – dan zijn wij hier samen bij de tijgerkooi, en ben jij daar met je moeder in dat fel oranje kleedje dat je altijd moest dragen van haar, en sta ik voor het vertrek van de gorilla’s, op een klasexcursie.  Alle herinneringen die we hier hebben zullen hier altijd blijven.

 

Anna sloeg een diepe zucht en haalde het prentje van de bijna-kus uit de hanger.  De vrijgekomen ruimte vulde ze met een foto van haar nieuwe echtgenoot, Andros.  De oude foto liet ze in de papiermand vallen, hem zorgvuldig bedekkend met wat samengepropt toiletpapier.  Ze staarde naar de papiermand.  Na enkele ogenblikken verliet ze de kamer.

Written by Flor

18 februari, 2009 bij 1:34

Geplaatst in Fictie

Getagged met

2 Reacties

Schrijf je in op reacties met RSS.

  1. mooi!

    Vlinder zelf getekend? :p

    nele

    19 februari, 2009 op 22:16

  2. Dan zou je niet weten dat het een vlinder moest voorstellen. ;)

    Flor

    19 februari, 2009 op 22:21


Reageer