De Spreker neemt het woord.

Met zwaar vermoeide ogen overlas Spreker Ludwig Glibbt, 72, nog een laatste keer zijn briefing. Hoe had het ooit zo ver kunnen komen? Er was zoveel veranderd sinds toen, sinds de Tijd van Overvloed zoals men het nu noemde, dat die periode aanvoelde als een eeuwigheid, eerder dan enkele jaren, geleden.
Er was zoveel verloren gegaan ook, verpletterd onder de ijzeren laarzen van de vooruitgang. Hij bekeek de mannen voor hem, zijn ogen vechtend tegen het nochtans zwakke licht. Hoeveel van hen waren nog kinderen, toen? Zoveel van hen waren jong, daar de oudsten en de zieken als eerste verloren waren gegaan. Slechts enkelen, zoals hemzelf, hadden zich weten te redden dankzij sterkte en -vooral- met veel geluk. In de zwaarst getroffen gebieden had men àlle ouderen verloren. En terwijl de leiders begonnen te sterven, grepen de jongeren de gelegenheid aan om het land te verscheuren. Macht maakt recht. Daarna oorlog, hongersnood en plagen.
Glibbt had zichzelf proberen te overtuigen dat het in het Westen anders was gelopen. Maar iedereen had natuurlijk de verhalen wel gehoord. Van dat Engelse dorp, waar mannen hun eigen families hadden afgeslacht op verdenking van illegaal hamsteren. Of in Frankrijk, waar een wilde meute een jonge vrouw had gearresteerd voor het houden van een kat, om haar vervolgens levend te begraven in een grasland net buiten Lyon. Niemand had gemerkt hoe dicht bij de oppervlakte de waanzin zich reeds had bevonden, slechts tijdelijk onder de grond gehouden door brood en spelen. Men had de mensen gevraagd een bescheiden deel van hun luxe af te staan, en ze weigerden. Toen het hen dwangmatig werd ontnomen, werden ze gek. Samenlevingen stortten in. De wereld stopte.
Hoeveel van deze mannen hadden nooit eerder honger gekend? Hij kon zien hoe hun ongen frenetisch knipperenden, alsof ze probeerden te ontwaken uit een verschrikkelijke droom. Hun monden hingen open uit verwarring, op hun gezichten las hij “Waarom ik?”, “Wat heb ik misdaan?”, “We wisten het niet.” en “We dachten dat er genoeg zou zijn.” Misschien was er wel genoeg geweest. Als de landbouwers hadden doorgewerkt en de mijnen hadden blijven draaien. Mischien, indien de consumptie was gedaald. De overheden hadden verplichte rantsoenering ingevoerd, sinds niemand zijn overschotten vrijwillig wou opgeven. Het geweld was begonnen. De productie vertraagde, de hongersnoden begonnen. Plots viel ook de elektriciteit uit. Niemand was op de hoogte van de schaal van de ramp of van de schaarsheid van voedsel en brandstof. De wereldleiders sloten de ogen, in de hoop dat iemand anders, eender wie, een oplossing zou vinden vooraleer zij ten val kwamen. Zonder brandstof, was er geen communicatie. Geen medicijnen. Het vereiste veel kracht om te overleven in een wereld waarin ieder dier eetbaar is, en elke ziekte fataal. De jonge mannen hier aanwezig, zij beseften bij wie de schuld lag.
Er was een nieuwe overheid opgestaan. Zij hadden een bevoorradingsnetwerk opgezet naar de steden, de landelijke gebieden achterwege latend uit noodzaak. Deze overheid had slechts één taak meegekregen – Los de crisis op. Genees de getroffen aarde.
Glibbt beefde terwijl hij de Kamer toesprak. Misschien zou dit wel de oplossing blijken. Een einde stellen aan de honger en het leed. Hij kuchtte, en sprak de vergadering toe.
“Een op zes.”
De toehoorders knikten instemmend, waarna ze de zaal verlieten om te overleggen met hun generaals en ondergeschikten. Drie dozijn mannen zijn aanwezig hier, overliep Glibbt mentaal. Zes van hen zouden de volgende ochtend niet zien.