Zendmasten

Het gelijkt een beetje op een zendmast, met dat sterke rode licht.  ’s Nachts kan ik het zelfs zien knipperen vanuit mijn slaapkamerraam.  Er staat een hek rond, waardoor je niet in de buurt kan komen.  Sommige mensen krijgen trouwens hoofdpijn als ze er te dicht bij gaan staan.

“Wat denk je dat het is?”

Het was de eerste dag van de zomervakantie toen ze hem begonnen neer te zetten.

“Vast een nieuw soort radarsysteem ofzo.”

De kinderen konden er geen minuut over zwijgen.  Volwassen leken daarentegen niet echt geïnteresseerd.  Naarmate je ouder wordt neemt die natuurlijke aantrekkingskracht tot alles wat nieuw en onbekend is af, veronderstel ik.

“Wat maakt het uit wat het is?  Wie er naartoe gaat en het aan durft raken geef ik tien euro.”

Niemand probeerde.  De constructie had iets overweldigend: volledig opgetrokken uit ijzeren stutbalken leek het alsof het de hemel wou neersteken.  Het was met gemak het grootste gebouw van het dorp.

Na een tijdje, leken we de zendmast eningszins te vergeten.  Bij het voetballen gebruikten we hem soms als doelwit, maar dat was het zowat.  De zomer verliep zoals altijd.  Nico en ik fietsten door de zandbanken, waarna we ijsjes kochten en langs de rivier gingen zitten.  Zomers leken altijd eeuwig te duren.  

Drie weken ver in de vakantie werd Mr. Willems geraakt door een wagen.  Men zei dat hij bleef stilstaan in het midden van de weg en daar gewoon afwachtte hoe de wagen op hem afkwam.  Toen hij terug bij bewustzijn kwam, kon hij zich aanvankelijk niets meer herinneren, zelfs niet hoe te spreken, al kwam dat vrij snel terug. Maar hij werd nooit meer de oude.  De relatie met zijn vrouw koelde af.  Hij wou niet meer werken.  Hij was als een kind geworden, timede en onzeker.  Het ongeluk zou zijn hersenen beschadigd hebben, klonk het.  Maar het was niet de wagen die verantwoordelijk was geweest.

De volgende ochtend werd er nergens post ontvangen.  Men vond de postbode in zijn bed, een lege uitdrukking op het gezicht.  Hij had zelfs niet het verstand gehad zich aan te kleden.  Mensen probeerden met hem te spreken, maar hij deed niets dan hen onverschillig aanstaren.

Een paar dagen later was het de kruidenier, en daarna de leraar.  Het kon op elk moment gebeuren: tijdens het werk, tijdens het slapen, tijdens het rijden… Op onverklaarbare wijze vergaten mensen plots alles, tot hun naam toe.  Het was een bonafide crisis.

“Bezoekers” noemde men hen.  Ze wandelden rond zonder doel.  Soms gingen ze met een hele groep samen neerzitten in iemands voortuin, alsof het niets was.  Hun eigen huis had voor hen niet meer waarde meer dan eender welk ander gebouw en ook hun kinderen lieten ze aan hun lot over.  Ze leken wel pasgeboren babies.

De Kerkgemeenschap  ving hen op, las hen voor uit de bijbel en zorgde voor overnachting.  Ze probeerden hen ook her op te voeden, wat vrij goed lukte zolang ze bereid waren te leren.  De priester redeneerde dat dit een geschenk van God moest zijn.  Totale verlossing, vrijspraak van al hun voorbije zonden. Ongeschonden zonen & dochters.  De priester zou dat later allemaal vergeten, natuurlijk.

De eerste vrouw die de zendmast de schuld gaf werd gek genoemd, maar het duurde niet lang alvorens de mensen doorhadden dat ze wel degelijk gelijk had.  Vreemd genoemd probeerde niemand er iets aan te doen.  Iedereen leek zich neergelegd te hebben bij de feiten en wachtte tot het hun beurt was.  Voor een aantal was het vooruitzicht van een nieuw, blanco geheugen zelfs een mooi idee.

Na een tijdje had iedereen zich zowat aangepast aan het macabere idee dat we morgen misschien niet meer dezelfde persoon als vandaag zouden zijn.  Het werd stil in het dorp.  Huwelijken hadden geen zin meer.  Iedereen keerde zich inwaarts, maar zelfs dat inwaartse kon verdwijnen door één knippering van die rode lichten.

We probeerden ons normale leven verder te zetten.  Ik herinner met dat ik met een aantal van mijn klasgenoten naar een film ging kijken, het ging over een zombie-invasie en Simon was de eerste die de connectie met onze situatie maakte.

“Het is een slecht voorteken”, zei hij, “ik bedoel, die zendmast stond daar vrij plots en voor je het weet worden mensen over heel het dorp gek.  En je moet echt wel idioot zijn als je niet beseft dat dit gewoon de eerste stap is.  Wie weet wat die ‘bezoekers’ gaan doen- ze zijn niet zo als ons.  Mark, stel je eens je voor dat je ’s morgens wakker wordt en plots wil je eigen moeder je keel doorsnijden.  Als een of andere pod person.”  Hij strekte zijn armen boven zich uit.

“Je wordt wakker, ergens in een vuil toilethokje.  Je hebt geen idee waar je bent, en nog erger: wie je bent.  Dus strompel je terug naar de dansvloer en plots komt er uit het niets een gedachte in je hoofd: “Daar is de vijand.”  Je hebt die kerel nog nooit gezien.  Hij draagt een zijden t-shirt dat het licht reflecteert.  Maar alles wat je kan denken is: “Daar is de vijand.”  Een vreemde gedachte.  Ingebracht van buitenaf.  En dan plots, BANG!”   Zijn ogen stonde wijd open alsof hij zonet zelf een pistool afgevuurd had.

Iedereen zweeg en wachtte tot het verhaal verder zou gaan.  Simons pistoolschot hing nog in de lucht.  Toen begonnen we het te beseffen.  Zijn ogen bleven gewoon wijd staan.  De aliens, de marsmannetjes, de mannen in het zwart, wat dan ook, zij hadden hem te pakken.  Hij bekeek zijn handen alsof hij ze nooit eerder had gezien en begon te giechelen terwijl hij ze afwisselend in vuisten balde en weer ontspande.

“Simon!  Simon”

“Dat is niet meer Simon.”

“Hou je bek.”

“Hey Agent X, waar is de vijand?”

“Ik zei dat je moest zwijgen!”

Simon begreep het niet.  Hij bekeek ons terwijl we de situatie onderling bediscusieerden en herhaalde af en toe een van onze zinnen, de woorden proevend in zijn mond.  Nog volledig in de sfeer van zijn verhaal waren we er allemaal van overtuigd dat hij nu deel van Het Complot uitmaakte en we hem misschien zelfs enkele geheimen zouden kunnen ontfutselen.  Die fantasie stierf echter al snel uit, en we behandelden hem vanaf dan gewoon alsof hij een nieuwkomer in de groep was, met een soort bewonderende en onbegrijpende aandacht.

Ik en Nico zaten weer bij de rivier, terwijl de zon langzaam achter de horizon verdween.  Onze rituelen boden onze enige houvast, zolang ze nog duurden.  De Zendmast vertekende de horizon doordat het rode licht zich mengde met het blauw en oranje van de koele avondlucht.  We begonnen te praten over hoe het ons bang maakte, het idee dat ons geheugen “schoongeveegd” zou woorden.  Ons gesprek duurde tot de zon zo goed als weg was.  Samen bedachtten we een plan om te ontsnappen.

Het plan was simpel van concept, maar moeilijker van uitvoering.  Laat op de volgende avond had ik verse kleren aangetrokken, 70 euro & de autosleutels uit de portefeuille van mijn vader gehaald en was ik in zijn truck geklommen.  Ik startte de wagen en gaf gas.  Rijden was niet moeilijk, maar wel angstaanjagend.  Eens ik een zeker snelheid wist te halen ging het uiteindelijk vrij vlot.

Ik reed naar Nico’s huis en wachtte voor zijn oprit.  Hij stapte in en we reden naar het noorden.  Het plan was Amsterdam, maar we stopten uiteindelijk al in een van de eerste Nederlandse dorpen die we tegenkwamen.  

Ook daar stond een Zendmast.  Ik stopte de wagen en schakelde de motor uit.  Daar zaten we, in de krappe cabine van de truck, allebei zwijgend terwijl het leer van de zetels kreunde onder ons ongemakkelijk geschuif.  Toen hij uiteindelijk toch sprak, was het op fluistertoon.  Hij keek me aan, tranen in de ogen.

“Het is als het einde van de wereld.  Ik wist er al van.  Marks vader is helemaal tot in Kopenhagen gereden.  Daar zijn ze ook, zei hij.”

“Waarom ging je hier dan mee akkoord?” vroeg ik.  Hij sloeg zijn armen me om me heen en huilde nu in mijn t-shirt.

“Omdat ik bang was.  En bij jou wilde zijn wanneer het gebeurde.”

En zo zitten we nu dus hier, vooraan in onze truck, wachtend op het einde van onze wereld.

Geplaatst in Algemene aberraties.

Reageer