Freight Train Blues

Ik heb een man ontmoet op een goederentrein, waarvan de bestemming er niet toe doet. De treinbewaker had vergeten deze wagon te sluiten en het was lente. De vogels, eindelijk bevrijd van de winter, verzamelden zich in zwermen en tekenden sillouetten tegen de avondlucht. Tijdens deze tijd van het jaar reizen, het rustig aan doen en langzaam alles innemen wat de Heer creëert is een privilege dat alleen voor de rijken is weggelegd. En voor mensen zoals ik.
Ik vroeg de man wat zijn bestemming was, als hij dat überhaupt al wist. Redelijke beleefdheid wanneer men voor een langere periode van tijd zit opgezadeld met een vreemde. Hij zag er uit als een steen, zijn huid geteerd en zijn baard diep wintergrijs. Een hoed, onopmerkelijk op iedere mogelijke wijze, rustte trots op zijn schedel. Hij overschouwde zijn enige bezittingen: een kam – enkele tanden ontbrekend als in een kindergrijns en vuil als de straat, maar nog wel bruikbaar, een versleten maïskolfpijp -opnieuw onopmerkelijk en een donkere fles gevuld met een niet nader te beschrijven vloeistof, mogelijk overgeheveld uit de bronnen van de hel. Hij greep de kam vast, zijn handen eerder functionerend als mechanisme dan als lichaamsdeel en gaf de nog resterende tanden aan een traag tempo een voor een een lichte tik.
Toen maakte hij voor het eerst oogcontact. Ik kon zijn blik niet vasthouden, zijn ogen zo helder en blauw, de mijne zo waterig. Om een of andere reden schaamde ik me over mijn voorkomen. Zijn gezicht, bijna even doorploegd als zijn handen, was bijna volledig bedekt door die grijze baard. Een machtige eik die opgestaan was en zijn wortels uit de aardbodem had geschud. Tussen zijn schaduwen zag ik beesten kruipen, nesten maken, zich voortplanten, vechten om te overleven of om te ontsnappen. Een microcosmos, geboren uit de met aarde gevulde porieën van zijn huid.
Hij sprak nu, met een toon die de duffe lucht doorsneed en een helder kanaal tussen mij en hem opende, dat het geraas van de spoorweg probleemloos wist te verdringen. Zijn stem was zo zacht als de wind in juli, en droeg een onbeschrijfbare melodie met zich mee. Allesbehalve het geluid dat men zou verwachten van zijn voorkomen, de pijp, de whisky…
“Ik zie dat je de lente opgemerkt hebt. De enthousiaste wolken die verzamelen voor de regens, de vogels die samen komen en zo de stof van de dag breien, de rivieren die overstromen met ambitie na de dooi en de bergen die overlopen van nieuw leven. Maar aan de andere kant, jij en ik, hier opgesloten zonder licht, zonder hemel en zonder lucht. Onze wolken niet gevuld met water, maar met tabaksvocht, onze vogels de vliegen die ons bloed drinken, onze rivieren samengesteld uit urine, speeksel en whisky en onze bergen niet opgetrokken uit steen maar uit het zich overal rond ons verzamelende stof. Vergeet dat nooit: hoe ver je ook reist, je neemt telkens je eigen wolken, je eigen vogels, je eigen rivieren en je eigen bergen mee.”
Toen hij uitgesproken was had de duisternis mijn zicht reeds te zeer ingenomen om hem nog te kunnen zien. Ik had echter geen licht nodig om te weten dat hij zich niet langer op deze trein bevond. De wagon klonk anders, het gerammel naar een hollere klank teruggekeerd. Ik maakte me geen zorgen. De ogen gesloten leunde ik achterover en liet ik me in slaap wiegen door de de mij bekende geluiden van de spoorweg.
Ik werd gewekt door de eerste zonnestralen van de dag in een inderdaad verlaten wagon. De trein hield halt om zijn beurt af te wachten in een willekeurig station, en ik stapte uit langs de kant van de sporen, me uitrekkend in de koude lentelucht. Ik begon te wandelen zonder doel of bestemming en keek naar de lucht, terwijl mijn eigen wolken zich vreedzaam verzamelden boven de spoorweg.